De moeder is spierwit en de opa, de vriendin en zus staren zwijgzaam voor zich uit wanneer ik de kamer binnenkom. Het is een donkere ruimte met donkerhouten meubels en zware gordijnen. De emoties maken het niet lichter. Na de eerste begroeting blijft het lang stil. Ze zeggen me dat ik maar even moet gaan zitten. Ik weet niet goed wat ik moet zeggen, ik ben opgeroepen voor deze eerste kennismaking maar ik voel dat het nog zo vers is.

Het zijn de basisregels die je leert in het vak en uit fatsoen. Je blijft weg van “Hoe voel je je nu?” of “Ik kan me voorstellen hoe je je voelt.” Dat vraag of zeg ik niet. Maar hoe ga ik wél het ijs breken? Ik kies ervoor om het even zo te laten. De stilte zijn werk laten doen. Een uur lang zeggen we niets tegen elkaar. Dan sta ik op: “Ik ben er vanavond weer,” zeg ik wanneer ik de deur uitloop. Het was nog te vroeg.

Een dag daarvoor stond ik nog op de parkeerplaats van station Utrecht, waar ik mijn dochter uitzwaaide na een gezellig etentje. De periode dat ik me zorgen maakte of ze wel goed thuis zou komen, liet ik een hele tijd terug al achter me. Ze is volwassen. Maar nu zie ik mezelf weer in de auto zitten op een druilerige herfstdag, ongeveer tien jaar geleden. Met een bezorgde blik achtervolg ik haar tot ze veilig de trein in stapt.

De uitvaart is voor een jongen van 28. Hij sprong uit wanhoop voor de trein. Ten einde raad laat hij daarmee veel pijn en verdriet achter. Waarom hij sprong blijft een aanname; die reden kan hij zijn familie niet meer geven. Het onbegrip hangt er die avond als ik terugkom in de kamer. Toch voel ik dit keer meer ruimte om de uitvaart te bespreken. De moeder stelt me vragen.

Haar belangrijkste wens is om haar zoon nog te zien. Ik blijf kalm, maar weet niet of we dat nog voor elkaar krijgen. Zijn lichaam is na het ongeluk niet meer intact. Het enige dat nog herkenbaar van hem is, is zijn arm met een tatoeage. In het uitvaartcentrum baren we de jongen op. Zijn favoriete hoody en jeans draperen we over het lichaam, zijn arm is zichtbaar. Vlak vóór het moment dat de kist gesloten wordt, staan de moeder, opa, vriendin en zus er zwijgzaam omheen. Vanuit het hoekje van de ruimte kijk ik mee. Niet eerder zag ik een moeder zo stevig de arm van haar zoon knuffelen. Ik zal het nooitvergeten.

Ik denk weer aan mijn dochter. Ik heb de telefoon in mijn hand om even te bellen. Gewoon even kletsen, horen hoe het nu met haar gaat. Een situatie goed aanvoelen kan ik wel, maar me voorstellen hoe het is om haar te verliezen… Dat nooit!